Menu Sluiten

Doodse Stilte – deel 10

Gabriëlla slaat één van de zwarte, leren mappen open en haalt er een formulier en een onbeschreven, gelinieerd blaadje uit. Haar map slaat ze dicht en legt ze op de hoek van de tafel, waar ze zit. Ik zie dat ze de map met twee vingers nog een beetje bijstuurt, zodat de map kaarsrecht in de hoek ligt.
Het formulier legt ze voor haar neer, het blaadje er direct bovenop en dan buigt ze voorover om een zilveren vulpen uit haar tas te pakken. Met een elegante beweging haalt ze de dop eraf, legt deze precies boven het blaadje en kijkt me dan aan.
‘Mevrouw de Zwart. Hoe gaat het met u?’
Een beetje verbaasd kijk ik haar aan. Heeft ze gezien hoe ik eruitzie? Hoe denkt ze zelf dat het gaat? Ik voel de drang om hier bot en kortaf op te reageren, maar het welopgevoede meisje in mij wint de strijd.
‘Eh… Ja… wel goed, naar omstandigheden.’
Gabriëlla kijkt me overdreven geïnteresseerd aan als ik antwoord geef. Ze buigt iets naar voren, kijkt me recht in de ogen en tuit haar mond iets. Het geeft me een ongemakkelijk gevoel.
‘Ik weet niet zo goed wat ik hier op moet zeggen nu,’ antwoord ik een beetje verdwaasd.
Gabriëlla knikt langzaam en aandachtig, buigt voorover en schrijft, met het meest nette handschrift wat ik ooit gezien heb:
‘Gaat goed -> Weet niet wat ze zeggen moet.’
Het is zo stil in de kamer, dat de vulpen bijna een knarsend geluid maakt op het papier. Ik voel mijn irritatie groeien en ik frons mijn wenkbrauwen iets.
Waarom schrijf ze dat nou op?
‘Hoe laat heeft u het nieuws gehoord?’
‘Eh. Ik heb niet op de klok gekeken. Een uur geleden? Twee uur?’ Een beetje hulpeloos werp ik een blik naar mijn vader. Hij haalt vragend zijn schouders op. We zijn het benul van tijd allemaal een beetje kwijt, geloof ik.
‘Een uur of twee geleden,’ schrijft Gabriëlla op en wederom maakt haar pen het irritante geluid.
Ik ben een beetje verbluft door het bijzondere tafereel, wat hier voor me afspeelt, maar ik weet niet goed hoe ik moet reageren. Ik doe daarom maar gewoon alsof het de normaalste zaak van de wereld is, dat ik, kort nadat ik gehoord heb dat mijn man dood is en ik mijn zoon heb moeten vertellen dat zijn vader niet meer terugkomt, me helemaal rot erger aan deze onbekende dame, die hier bij mij aan de eettafel zit, met haar knarsende pen.
Doodnormaal. Echt.
Ik werp weer een blik op Fenna en het valt me op dat haar smaragdgroene ogen de woonkamer verkennen. Ik zie haar ogen langs de bank gaan, langs de schilderijen aan de muur, langs het witte dressoir met allemaal rommeltjes erop. Als ze door het raam naar buiten kijkt, naar de spelende kinderen, dan blijft ze even kijken. Haar blik is observerend, maar niet gevoelloos, niet zoals Gabriëlla nu op me overkomt.
‘Fenna was het, toch?’ Ik schrik bijna van mijn eigen stem.
Alsof ze ergens op betrapt is, schrikt ze iets op. En dan kijkt ze me aan. Haar ogen veranderen bijna van kleur door de wisseling in haar blik. Van warm smaragdgroen lijken haar ogen angstig, kil en donkergroen te worden.
Ik schrik van haar blik en wend mijn ogen af.
‘Dat klopt, mijn naam is Fenna.’ Ineens klinkt haar stem weer warm en vriendelijk.
Ik kijk haar voorzichtig weer aan en zie dat de kilheid en angst uit haar ogen is verdwenen.
Heb ik het me dan verbeeld? Zag ik het nou verkeerd? Het zal wel.
Gabriëlla schraapt haar keel en leidt me af van Fenna.
‘En u hebt het nieuws gehoord van de politie?’ vraagt ze, terwijl ze haar ogen op het papier blijft houden en haar pen in de aanslag houdt bij de volgende lege regel. Waarschijnlijk helemaal klaar om het volgende antwoord op mijn vraag op te schrijven.
‘Ja.’
En inderdaad. Ik zie dat Gabriëlla de letters opschrijft, die ik zojuist uitgesproken heb. Wat gebeurt hier?
Ik buig naar voren, steek mijn hand uit en leg deze op het papier van Gabriëlla. Haar papier verschuift een beetje en dit alles zorgt ervoor dat ze verbaasd opkijkt.
Oh, sórry. Verpest ik je perfecte blaadje? Ik spreek deze gedachten niet hardop uit, ik denk ze alleen.
Met mijn rode, dikke en door mascara omcirkelde ogen, probeer ik haar indringend aan te kijken. Volgens mij lukt dit aardig, want ze kijkt me aan alsof ik compleet van de pot gerukt ben en écht iets verschrikkelijks en ellendigs heb gedaan. Misschien heb ik dat in haar ogen ook wel. Ik heb immers haar blaadje verschoven.
‘Waarom schrijf je deze antwoorden op?’ Mijn stem is zachtjes en komt er onbedoeld een beetje op een geïrriteerd toontje uit. ‘Wat doet het ertoe hoe laat ik gehoord heb dat mijn man dood is?’
Gabriëlla probeert zich te herpakken en schuift een beetje aan haar papiertje om hem weer recht neer te leggen, maar mijn liggende hand, die ik natuurlijk niet ga verplaatsen, blijft dit belemmeren.
‘Nou kijk, Esmee…’ begint ze zachtjes.
‘Mevrouw de Zwart, dank u,’ onderbreek ik haar.
Ik zie dat mijn vader zijn wenkbrauwen hoog optrekt, als hij mijn reactie hoort. En begrijpelijk ook. Nog nooit heb ik iemand tegengehouden om me te tutoyeren. Misschien is het in deze situatie ook niet gepast, maar ik voel een intense drang om een emotionele afstand tot deze vrouw te houden. Mij bij mijn voornaam aanspreken, past niet in dit plaatje.
‘Mevrouw de Zwart…’ Gabriëlla slikt zichtbaar, voordat ze verder praat.
‘Er zijn fases in een rouwproces en het tijdstip van het nieuws is van cruciaal belang om te bedenken in welke fase u nu bent…’
What. The. Fuck.
In een snelle beweging ga ik iets staan en leg mijn andere hand ook op tafel. Ik buig naar voren, kantel mijn hoofd iets en kijk naar Gabriëlla met een mengeling van onbegrip, irritatie en beginnende woede aan.
‘Pardon?’ Ik krijg het voor elkaar om een ik-mag-hopen-dat-je-een-focking-grapje-maakt glimlach op mijn gezicht te toveren en blijf haar aankijken. Als haar ogen de mijne ontmoeten, probeer ik ze uit alle macht vast te houden, terwijl ik verder praat.
‘Rouwproces? Lieve schat, ik weet niet welke boeken jij allemaal in je mooie hoofdje geprent hebt, maar mijn rouwproces is nog niet begonnen. Ik realiseer me verdomme nog niet eens volledig dat mijn man vandaag is overleden en nooit meer terugkomt. Jij wilt even mijn situatie analyseren op basis van een uur? Of misschien twee?’ Mijn stem is angstvallig rustig, maar zeker met een sissende, boze ondertoon. Ik blijf haar ogen vasthouden, terwijl ik zie dat ze schrikt van mijn reactie.
Ik zie vanuit mijn ooghoeken, dat mijn vader me inmiddels ook met grote ogen aankijkt. Ik zie aan zijn gezicht en houding dat hij twijfelt of hij in moet grijpen of dat hij dit moet laten gebeuren, maar het maakt me niets uit wat hij doet.
‘Esmee…’ De zachte, warme stem van Fenna onderbreekt mijn gedachten. Ze is blijkbaar opgestaan, want ze staat ineens naast me. Dan legt ze haar linkerhand op mijn schouder en trekt me zachtjes en subtiel iets naar achteren. De warmte van haar hand gaat dwars door mijn trui en ik laat de angstige blik van Gabriëlla los. Mijn handen glijden van haar papier af.
Mijn ogen vinden die van Fenna, als ze me zachtjes terug op de stoel drukt. Wederom kan ik me niet losschudden van de gedachte dat ik haar ergens van ken. Maar ik weet het niet.
Ik laat me zakken op de stoel en zie dat Gabriëlla haar blaadje weer recht legt en er een kreukel uit probeert te vegen met de zijkant van haar hand.
‘Misschien moeten we dit gesprek even op een andere manier voeren,’ zegt Fenna zachtjes.
Ik slik de brok in mijn keel weg en kijk haar aan, terwijl haar hand nog op mijn schouder rust.
‘Dat lijkt me een goed plan,’ zegt mijn vader zachtjes. Hij is duidelijk een beetje overdonderd door datgene wat er zojuist gebeurd is.
Fenna laat mijn arm los en gaat weer op haar stoel zitten.
‘Goed,’ zegt Fenna vriendelijk. ‘Laten we opnieuw beginnen.’