Menu Sluiten

Fenna – deel 5

Terwijl hij met zijn ene hand mijn staart vast houdt, gaat hij met zijn andere hand over mijn rug. Hij streelt langzaam van boven naar beneden. Als ik niet beter zou weten, dan zou ik bijna denken dat het liefdevol is, maar dat is het niet. Dat is het nooit.
Hij maakt met één hand mijn BH-sluiting los en ik voel het zwarte kant loskomen onder mijn borsten.
Ik sluit even mijn ogen, om het beeld wat ik van Fons heb zoveel mogelijk weg te drukken. Hij moet uit mijn hoofd, zijn ranzige geur moet uit mijn neus en ik moet doorzetten.
Doorgaan, Fenna. Het is zo voorbij, nog heel even maar.
Zijn hand gaat naar voren en hij grijpt met veel kracht één van mijn borsten vast. Hij knijpt er hard in en ik hoor zijn ademhaling versnellen. Hij hijgt in mijn oor als een hyena die op het punt staat om een stuk vlees te verorberen. Ik voel de pijn die zijn ruwe handen veroorzaken bijna niet meer. Ik ben er zo aan gewend, dat ik het simpelweg uit kan zetten en mijn verstand op nul kan zetten. Ik voel zijn mond richting mijn tepel gaan en ik haal snerpend adem. Het is zo voorbij, het is zo voorbij.
‘Oh, schatje…’ zegt Fons, terwijl zijn mond mijn tepel omvat. Dan ineens laat hij me los en draait me snel en hardhandig om, zodat ik met mijn gezicht naar de muur kom te staan. Hij duwt me naar voren, waardoor mijn hele lichaam met kracht tegen de muur aangedrukt wordt en ik ben blij dat ik hierdoor zijn indringende lichaamsgeur iets minder ruik. Met zijn hand gaat hij zachtjes over mijn billen, die door mijn kanten string perfect uitkomen, en dan ineens geeft hij er een harde klap op, waardoor ik van schrik een klein beetje omhoog kom.
Ik haal opgelucht adem als ik de napijn zorgvuldig analyseer. Dit is oké, dit gaat geen langdurige zichtbare sporen achterlaten. Dit is nog te doen. Soms kan hij me zo hard slaan dat ik ruim een week met een rode, of soms zelfs blauwe, plek loop. Maar dat is nu niet het geval, weet ik uit ervaring.
‘Heerlijk,’ hoor ik hem zeggen. Ik kreun van de opkomende pijn, maar zoals gewoonlijk denkt hij dat ik dit doe, omdat ik het lekker vind. Ik zie het niet, maar ik weet dat hij een smerige glimlach op zijn gezicht heeft.
Ik hoor dat hij zijn joggingbroek naar beneden laat vallen en zet me met mijn platte handen schrap tegen de muur. Ik weet wat er komen gaat. Het is nu bijna voorbij. Het is bijna klaar.
Met een ruk trekt hij mijn heupen naar achteren, waardoor ik met mijn gezicht langs de muur schraap. Godver, ik had me al een keer voorgenomen om eens iets met deze gestucte muur te doen. De harde korrels snijden in mijn gezicht en ik weet dat dit wél sporen achter gaat laten. Mijn wang voelt alsof hij in brand staat.
Shit.
Met een ruk trekt hij mijn string aan de kant en dringt dan veel te snel en veel te ruw bij me naar binnen. Ik voel de tranen in mijn ogen opwellen, als ik hem hoor kreunen van genot en hou me stevig vast, terwijl hij heftig in me heen en weer beweegt.
Ik begin in mijn hoofd met aftellen, want ik weet dat het over een seconde of dertig voorbij is en ik luister naar zijn ademhaling, die steeds een beetje meer versnelt, terwijl hij beweegt.
En dan ineens, is het klaar… Ik voel hoe hij zich diep in me drukt, terwijl hij een harde kreet slaakt en zich al trillend van me bevrijdt.
Godzijdank.
Het is klaar.
‘Godsamme, lekker hoor,’ hoor ik hem zeggen, terwijl ik mijn string weer op de goede plek doe. ‘Goed, nu eten maken,’ beveelt hij. ‘Nu heb ik helemaal honger.’
‘Ik ga even naar de badkamer,’ zeg ik zachtjes. Ik wil me schoonmaken en me ontdoen van het ranzige bewijs van zijn genot. Ik wil me schrobben, totdat ik zijn zweet volledig van me afgespoeld heb en zijn geur niet langer op mijn huid zit.
Fons is even stil.
‘Ik wil dat je zo blijft rondlopen,’ zegt hij en met een schok draai ik me om.
‘Hoe bedoel je?’ vraagt ik zachtjes. De angst in mijn stem is duidelijk hoorbaar en alleen al de gedachte aan dit nieuwe ideetje maakt dat de rillingen over mijn rug lopen.
‘Jij gaat koken, terwijl je alleen je string draagt en met mijn zaad nog in je lichaam.’
Nee.
Nee, nee, nee.
Ik kijk hem aan en zie hem met kleine oogjes naar me kijken.
‘Begrepen, Fenna?’ Zijn stem klinkt duister en, ondanks dat hij net seks met me heeft gehad, smachtend. Met een smerige blik kijkt hij me aan, afwachtend hoe ik ga reageren. Ik ga niet opgeven, ik wil niet weer in de kast opgesloten worden.
‘Ja,’ zeg ik zachtjes. ‘Goed idee.’
Hij glimlacht.
‘Goed, toe maar dan,’ zegt hij, terwijl hij een handgebaar richting de trap maakt.
‘Ik moet wel even plassen,’ zeg ik zachtjes, terwijl mijn gedachten overuren maken. Ik moet douchen, ik moet schoon zijn. Ik moet de wond op mijn gezicht bekijken, schoonmaken en deze zorgvuldig behandelen, zodat deze morgen niet al te zichtbaar is. Ik moet hem uitschakelen…
Hij draait even met zijn ogen. ‘Prima,’ mompelt hij.
Ik ga naar het toilet en zet snel de kraan bij het wastafeltje aan. Dan klap ik het deksel van het toilet dicht, ga erop staan en reik tot aan de plafonnière, die ik met veel ervaring en souplesse los klik. Het plastic zakje met de pillen dat ik daar verstopt heb, ook wel mijn noodvoorraad genoemd, valt meteen naar beneden en met trillende vingers haal ik er drie witte pillen uit. Dan berg ik het zakje weer op en ik klik de plafonnière weer op de plaats.
Ik klem de pillen stevig in mijn hand, terwijl ik de deur langzaam van het slot haal. Als ik om het hoekje kijk, is Fons nergens te bekennen. Waarschijnlijk zit hij alweer op de bank televisie te kijken. Zogenaamd rustig loop ik richting de keuken en ik werp een blik op de woonkamer. Fons zit inderdaad op de bank. Hij heeft zijn hand in zijn broek geduwd en ik weet uit ervaring dat hij zometeen aan zijn hand gaat ruiken.
‘Wil je een biertje, schat?’ roep ik, terwijl ik de pilletjes op het aanrecht leg en langzaam wat rustiger word. Ik zal je.
Met een lepel druk ik de pilletjes op vakkundige wijze plat. Dan pak ik een blikje bier uit de koelkast, open hem en gooi het poeder er snel en geraffineerd in. Met een rietje roer ik voorzichtig in het bier, voordat ik het blikje naar hem toe breng.
‘Alsjeblieft,’ zeg ik, terwijl ik hem het blikje voor houd.
Hij zegt niets en kijkt me niet aan. Hij steekt alleen zijn arm uit en pakt het blikje aan, terwijl hij zijn ogen op de televisie gericht houdt.
‘Ik ga koken, heb je voorkeur?’ vraag ik.
Dan laten zijn ogen het gigantische televisiescherm los en ze gaan rechtstreeks naar mijn borsten. Daar blijft hij even naar kijken.
‘Vlees,’ zegt hij dan. ‘En rap wat.’
Ik knik en loop weg, richting de keuken, waar ik begin met het eten.
Zoals voorspeld ligt Fons uitgeteld op de bank, op het moment dat ik zijn bord op de salontafel zet. Als het goed is, is hij volledig van de wereld, maar ik moet het zeker weten.
‘Fons, je eten is klaar,’ zeg ik hardop.
Ik krijg geen reactie en pak het blikje bier uit zijn handen. Leeg, helemaal leeg.
Perfect, die is wel even onder zeil.
Ik hef mijn kin en kijk hem van een afstandje aan. Zijn grijze, halflange en vette haren hangen slapjes over zijn wangen en de constant aanwezige afschuw die ik voor hem voel, wordt groter.
Ik kan het nu afmaken. Ik kan nu het hele zakje met pillen bij hem naar binnen drukken. Wedden dat het dan klaar is… wedden dat hij dan niet meer wakker wordt.
Maar… dan komt jeugdzorg in beeld… dan word ik in één of ander burgerlijk pleeggezin geplaatst en kan ik niet meer doen waar ik zin aan heb. Dan wordt er een onderzoek ingesteld en komen ze er misschien achter dat hij net nog in me zat. En dan… dan heb ik wat uit te leggen.
Nee, dit is beter. Nog twee jaar. Dan ben ik achttien, dan trouw ik met hem en dan maak ik hem kapot. En dan… dan is alles, alles van mij.
Een dag later zit ik in het café op Leon te wachten. Ik kijk om me heen. Het is een typisch, ouderwetse, bruine kroeg. Donkere muren, een donkere, houten vloer en met een stuk of vijftien bezette tafeltjes is het aardig druk. Op elke tafel ligt een rood kleedje en ik ga er zachtjes met mijn handen overheen. Een klein kaarsje geeft precies voldoende licht om er fenomenaal uit te zien en om de flinke schaafwond op mijn gezicht te verbergen. Ik heb gedaan wat ik kon om het te bedekken met make-up, maar helaas was er meer schade dan ik had gehoopt en heb ik wat kleine korstjes op mijn gezicht, die ik moeilijk kon bedekken. Ik heb daarom mijn lange, blonde krullen in een zijscheiding gedaan en er hangt een grote lok voor de aangedane kant van mijn gezicht.
Ik heb de strakke spijkerbroek weer aangetrokken, maar het zwarte T-shirt heb ik links laten liggen. In plaats daarvan heb ik een witte, zijden blouse aangetrokken, waarvan ik de bovenste drie knoopjes heb losgelaten. Als ik beweeg, dan komt mijn rode, kanten BH er heel tactisch iets bovenuit, waardoor ik een glimp van de werkelijke Fenna laat zien. Een voorproefje voor datgene wat er komen gaat. Ik ben een cadeautje om uit te pakken en de teaser krijgt Leon vandaag te zien.
Na ongeveer tien minuten wachten, zie ik de deur van het café opengaan.
Leon stapt zelfverzekerd en met een grote glimlach naar binnen en ik voel weer de kriebels in mijn buik, zodra zijn blauwe ogen de mijne vinden. Zijn glimlach wordt groter en hij loopt in één streep naar me toe.
‘Hey!’ zegt hij vrolijk, terwijl hij zijn jas uitdoet.
‘Hey! Leuk dat je er bent,’ zeg ik, terwijl ik de opwinding in mijn buik voel opborrelen. ‘Hoe is het?’
‘Goed!’ reageert hij. ‘Ik heb je vandaag niet op school gezien?’
‘Nee, klopt. Ik moest naar het ziekenhuis. Niks ernstigs hoor, een onschuldig onderzoek.’
Het is niet waar wat ik zeg; ik moest helemaal niet naar het ziekenhuis. Ik moest vandaag eerst even gigantisch bijslapen, vervolgens voor de vierde keer sinds gisteravond uitgebreid douchen, toen naar de psycholoog om weer alles bij elkaar te liegen en daarna moest ik me voorbereiden op de date met Leon.
‘Oh, oké,’ zegt Leon. Hij neemt plaats op de stoel tegenover me. ‘Wat was er dan?’ vraagt hij lief.
‘Oh niks hoor, ik heb een tijdje geleden mijn arm gebroken en ik had even een nacontrole,’ lieg ik.
Leon knikt en pakt de drankenkaart, die in een houdertje op de tafel staat. ‘Wat drink jij?’ vraagt hij, terwijl hij naar mijn gevulde glas kijkt.
‘Bacardi cola,’ zeg ik.
Leon kijkt me verbaasd aan. ‘Heb je alcohol gekregen?’
‘Ja, ze doen hier niet zo moeilijk,’ zeg ik. ‘Wil je ook?’
‘Nou, lekker!’ hoor ik Leon tot mijn grote vreugde zeggen. Yes, hij wil alcohol, dit gaat makkelijker dan ik dacht.
Ik roep de barman – die ik al een sinds mijn dertiende ken, want toen kwam ik hier al – en bestel drinken voor Leon.
We praten minstens twee uur lang aan één stuk. Tot mijn verbazing kom ik erachter dat Leon ontzettend grappig en lief is. Hij maakt me continu aan het lachen en ik ben oprecht verbaasd over het feit dat ik me zó ontzettend op mijn gemak voel bij hem. Ik heb nog nooit meegemaakt dat ik dit soort gesprekken met iemand heb gehad. Hij heeft me verteld hoe hij opgegroeid is, inclusief hilarische verhalen over zijn ouders en zusje. Hij heeft me, met tranen in zijn ogen, verteld hoe zijn zusje was als jong meisje en hoe hij zich voelde toen hij hoorde dat ze overleden was.
Hij heeft me uitgebreid gevraagd naar mijn interesses, naar mijn mening over verschillende onderwerpen en tot slot naar de zogenaamde ziekte van mijn moeder, totdat ik aangaf dat ik er niet over wilde praten.
Voor het allereerst voelde ik me een soort van schuldig… Schuldig dat ik niet eerlijk was.
Het idee dat deze jongen gemeen is, dat hij me alleen maar wil om mijn lichaam… Ik weet niet waarom, maar ik ben van dat idee afgestapt. Op de een of andere manier lijkt Leon anders. Anders dan alle andere mannen die ik ken. Als hij vertelt, dan hang ik aan zijn lippen. Dan wil ik alles weten wat hij te vertellen heeft. Dan wil ik alles horen over zijn leven, over zijn gedachtes, over zijn toekomstvisie. Elk detail neem ik bijna angstvallig in me op en ik geniet met volle teugen.
Als hij op zijn horloge kijkt en zegt dat hij moet gaan, dan voel ik mijn buik samentrekken. Ik voel een pijn die ik niet ken en ik kan alleen maar denken: ‘Nee, nee, niet weggaan. Alsjeblieft, blijf bij me,’ maar ik weet dat ik geduldig moet zijn met deze jongen, anders gaat het mis.
‘Ik ook, ik moet ook gaan,’ zeg ik, terwijl ik probeer om mijn immense teleurstelling te verbergen. Net als ik op wil staan, maak ik de grote fout om mijn haren naar achteren te gooien, waardoor de grote schaafwond, die slechts deels bedekt kon worden door de make-up, zichtbaar wordt.
Ik zie Leons ogen twee keer zo groot worden. Shit. Hij heeft het gezien. Shit!
Voordat ik het weet, staat hij naast me en met grote, bezorgde ogen kijkt hij me aan. Hij gaat door zijn hurken, waardoor zijn gezicht lager komt dan het mijne en met zijn linkerhand gaat hij richting mijn haar. ‘Fenna,’ fluistert hij geschokt, ‘wat is er met je gebeurd?’
Zijn hand komt dichterbij bij mijn haar. Ik denk dat hij mijn haren opzij wil doen om te kijken naar mijn schaafwond en hoewel ik niets liever wil dan zijn aanraking voelen, schiet ik toch naar achteren. Ik kan er niks aan doen, het is een onbewuste reactie.
Ik zie hem schrikken en hij trekt snel zijn hand terug. ‘Sorry,’ zegt hij zachtjes. ‘Ik wilde je niet laten schrikken.’
Ik wend mijn gezicht af. Ik durf hem niet aan te kijken. Wat is er in godsnaam met mij aan de hand? Nu wil hij mij eindelijk aanraken, maakt hij eindelijk een gebaar richting mij, en dan trek ik me terug? Doe normaal, Fenna. Doe normaal!
‘Ik… Sorry… Ik….’ Mijn hemel, ik kom helemaal niet uit mijn woorden. Wat gebeurt er?
Ik zie het hoofd van Leon zachtjes van links naar rechts gaan.
‘Heeft iemand je pijn gedaan?’ De toon van zijn stem is zó lief, zo ongelooflijk lief. Als ik in zijn ogen kijk, zie ik voor de allereerste keer in mijn leven oprechte belangstelling, oprechte warmte en vooral bezorgdheid. Het raakt me tot in het diepst van mijn ziel en ik moet een brok in mijn keel wegslikken, terwijl ik zijn prachtige, blauwe ogen vasthoud.
‘Het is niets, ik ben gevallen,’ mompel ik.
‘Je bent gevallen?’ herhaalt Leon, terwijl hij één wenkbrauw optrekt.
‘Ik ben gevallen, inderdaad. Kunnen we nu gaan, alsjeblieft?’ Ik sta op en pak snel mijn leren jasje van de rugleuning van de stoel.
Leon staat ook op en hij kijkt me bedachtzaam aan. Gelooft hij me? Hij moet me geloven. Toch?
‘Ik breng je naar huis,’ zegt hij.
Weer schrik ik. ‘Nee joh, dat hoeft niet. Mijn stiefvader haalt me zo op. Ik hoef hem alleen maar even te bellen,’ verzin ik ter plekke.
‘Dan wacht ik wel even,’ zegt Leon, terwijl hij me aan blijft kijken.
‘Ga maar snel, ik red me wel. Komt helemaal goed!’ Ik probeer om hem zelfverzekerd aan te kijken, maar vanbinnen razen de emoties en gevoelens door mijn lijf.
Leon blijft me een paar seconden aankijken en nét als ik me ongemakkelijk begin te voelen, zegt hij: ‘Goed. Ik zie je morgen op school?’
‘Ja,’ fluister ik.
Dan ineens buigt Leon naar voren. Hij pakt zachtjes de achterkant van mijn hoofd vast en buigt dan langzaam naar voren. Voordat ik doorheb wat er gebeurt, geeft hij me een zachte, warme kus op mijn voorhoofd.
‘Dan zie ik je morgen,’ fluistert hij. Hij draait zich om, pakt zijn jas en loopt, zonder nog een woord te zeggen, weg.